Onderweg naar de vrijheid, gestrand in Belgrado

Journalist Mustafa Hadziibrahimovic vluchtte op vijftienjarige leeftijd vanuit Bosnië voor de Joegoslavische oorlog in de jaren ’90. Over zijn vlucht en zijn ervaringen schrijft hij momenteel het boek ‘De getuigenis van de witte vlinders’. Een deel van dit boek is nu te lezen op RFG Magazine. 

Ajdin vertrekt. Eindelijk. Het is negen november 1993. Een koude zonnige herfstdag. Hij heeft met Gojko bij de bushalte afgesproken. Samen met hem stapt hij bloednerveus in een volle bus richting Belgrado. Dat is de enige uitweg over verharde wegen uit zijn bezette geboortestad Brcko. Een andere mogelijkheid zou zijn om de Sava over te zwemmen naar Kroatië. Maar dat zou te gevaarlijk zijn, niet zozeer wegens zijn zwemkwaliteiten, maar vooral door de aanwezige sluipschutters en landmijnen.

Gojko is een man van middelbare leeftijd en bijbehorend postuur met een volle zwarte haardos, een snor en een vriendelijk maar gespannen gezicht, dat net als dat van Ajdin tekenen van zenuwen verraadt. Hij draagt een Servisch uniform dat hem status geeft en Ajdin een gevoel van veiligheid.

Gojko en zijn vrouw Juliana zijn beiden leraar op een basisschool in Brcko. Ze waren jarenlang bevriend met Ajdin’s oom Meksud en tante Matilda. Tijdens de voorbereidingen van zijn reis vroeg zijn tante haar vriendin Juliana om haar een schoolrapport met een Servische naam te ‘lenen‘. Puur voor de eerste etappe van Ajdin’s reis. Dat rapport zou dan als een soort identiteitskaart dienen bij de oversteek van de Bosnisch-Servische grens. Daar wist haar man Gojko aanvankelijk niets van. Later zouden ze Gojko vragen om Ajdin illegaal naar Belgrado te brengen. Hij stemde aarzelend in.

Naar Belgrado

Ajdin heeft voor tweehonderd Duitse marken zijn eigen paspoort, nog van het oude Joegoslavië, een paar weken eerder geregeld via de officiële wegen. Vlak voor het vertrek heeft hij zijn belangrijke persoonlijke documenten: paspoort, geboorteakte en schoolboekje in zijn schoenen verstopt. Mocht iemand vragen hoe hij heet, dan is hij die jongen wiens naam op het schoolrapport staat, de kleine neef van Gojko die zijn familie in Belgrado gaat opzoeken.

Gojko en Ajdin zitten aan de linkerzijde, in het midden van de overvolle bus. Er zijn weinig mannen die meereizen. Het zijn voornamelijk vrouwen en kinderen. Ajdin kijkt om zich heen en ziet gelukkig geen bekende gezichten. Hij heeft het heel benauwd, net als Gojko. Ze wisselen amper een woord met elkaar. Zwijgend vertrekken ze uit Brcko. Uit de stad waar Ajdin geboren en voor een groot deel getogen is. Hij verlaat nu deze stad, wellicht voorgoed, maar hij verlaat ook zijn ouders. Dat maakt de reis extra zwaar.

Zal Ajdin zijn ouders ooit nog terugzien? Waar, hoe en wanneer? Deze gedachten maken hem verdrietig en boos, maar hij voelt zich ook schuldig. Zijn overlevingsinstinct en zijn hoop op een normaal leven waren te sterk om nog langer in Brcko te blijven, in de stad die niet meer de zijne was, waar hij amper nog vrienden had en waar hij zich dagelijks afvroeg of hij en zijn ouders de volgende dag nog zouden halen.

Bij de grens

Langzaam rijdt de bus verder naar de Bosnisch-Servische grens en Belgrado. Met gemengde gevoelens kijkt Ajdin uit het raam. Hij ziet de rivier Sava. Hij kan zich niet herinneren dat die ooit zo mooi groen van kleur was. Sinds het begin van de oorlog vervuilde bijna geen enkele fabriek de rivier nog met zijn afval. Zou hij deze rivier, de groene en weidse landschappen, zijn geboortegrond, al die gebouwen en huizen, sommige kapot geschoten, ooit nog terug zien? En in welke staat dan? Hij beseft dat deze vraag alleen van belang is als zijn reis slaagt en hij zijn vrijheid en leven weer terugkrijgt.

Ze naderen Raca, de grensplaats tussen Servië en het Servische deel van Bosnië. Deze plaats, deze grens betekent op dit moment het verschil tussen leven en dood voor Ajdin. En wellicht ook voor Gojko. Wat als ze zijn documenten in zijn schoenen vinden en achter zijn echte identiteit komen? Hij wil er niet aan denken.

Ajdin zit verstijfd op zijn plek. De spanning is ook van Gojko’s gezicht af te lezen. De bus stopt aan de Bosnische kant van de grens. Twee grensbewakers stappen in en vragen naar de identiteitskaarten. Gelukkig alleen die van de volwassen mannen. Aan de Servische kant is het een ander verhaal. Daar moet iedereen zijn of haar papieren laten zien. Wanneer de grensbewaker bij Ajdin en Gojko komt staan, trekt de jongen het valse schoolrapport, zijn redding, uit zijn broekzak. Het kind, dat genoemd wordt in dit document is twaalf jaar en Ajdin is inmiddels vijftien en heeft al een snorretje.

De grensbewaker kijkt doordringend naar het stukje papier, dan naar Ajdin en dan naar Gojko, verscheidene keren. Ajdin voelt zijn benen niet meer. Dit is het einde, denkt hij. Het is afgelopen, hij weet het. De grensbewaker vraagt op neutrale toon aan Gojko: ‘Wie is deze jongen van jou en waar gaan jullie heen?’ Gojko geeft beheerst het voorbereide antwoord op de vraag: ‘Hij is mijn neefje en we gaan naar Belgrado, onze familie bezoeken.’ De grensbewaker kijkt nog eens rustig naar het schoolrapport, dan weer naar Ajdin en Gojko en geeft hun documenten terug. Ze mogen doorreizen, maar Ajdin is er van overtuigd dat de grensbewaker weet dat er niets klopt.

Op zoek naar Mara

Ajdin kan niet geloven dat ze relatief zo gemakkelijk de grens zijn gepasseerd. Hij zou zich opgelucht moeten voelen. Maar zo is het niet. Dit is pas het begin. Ze moeten nog Belgrado zien te bereiken. De voormalige hoofdstad van de Socialistische Federatieve Republiek Joegoslavië, nu alleen nog van Servië, waar alle ambassades gevestigd zijn en waar ook tante Mara woont, een oud-vriendin van Ajdin’s neef. Hij heeft Mara nooit ontmoet noch gesproken. Voor deze reis wist hij amper van haar bestaan en zij kende Ajdin ook niet.

Als zij eindelijk in de metropool Belgrado aankomen, gaan ze op zoek naar teta Mara. Zo noemt Ajdin haar. Ze schijnt in een kiosk te werken in het centrum van de stad waar ze voornamelijk kranten, bladen en sigaretten verkoopt. Omdat de kiosk op zo’n strategische plek ligt, aan een brede laan vlakbij het hoogste gebouw van Belgrado de ‘Beogradjanka’, is hij niet moeilijk te vinden. Wanneer Ajdin en Gojko de juiste kiosk vinden en zich aan teta Mara voorstellen, blijkt zij aanzienlijk verrast te zijn door hun komst. Ze zien elkaar voor het eerst. Zij draagt een dikke bril, heeft kort geknipt, zwart golvend haar en is klein van gestalte. Ajdin schat haar leeftijd rond de vijftig jaar.

Ze had niet verwacht dat Ajdin van plan was om bij haar te komen logeren, voor de komende dagen, misschien zelfs weken of maanden. Hij zou aanvankelijk onderdak krijgen bij een andere familie, van een man die van alles beloofde voordat hij uit Brcko vertrok, maar die – als Ajdin eenmaal in Belgrado is aangekomen – hem afwimpelt als ze hem bellen. Hij had niet verwacht dat Ajdin Belgrado zou halen.

Teta Mara vertelt dat ze over een klein appartement beschikt met alleen een kamer en een bed, in het centrum van de stad. Het toilet deelt ze met andere bewoners van de flat en ze doucht bij haar broer. Kortom, er is geen plek voor nog iemand in haar bescheiden woning. Gojko is niet voorbereid op dit verhaal en stelt voor dat Ajdin de volgende dag met hem teruggaat naar Brcko. Maar Ajdin wil dit niet horen en barst in tranen uit. ‘Ik slaap nog liever op straat in Belgrado dan dat ik terugga naar Brcko, naar die oorlogshel,‘ zegt hij huilend tegen Gojko.

Uit eten

Hij is hoe dan ook vastberaden om in Belgrado te blijven en een poging te doen om verder door te reizen. Aan terugkeer naar Brcko denkt hij geen seconde. Ondanks de oorlog en het internationale embargo op Servië, dat voor de hoge inflatie en schaarste aan alles zorgt, lijkt Belgrado in vergelijking met Brcko en de rest van Bosnië meer op Parijs of Londen dan op een stad die verwikkeld is in een bloedige oorlog. Ajdin ziet overal mensen lopen, druk verkeer en verlichte straten Er is zelfs een McDonald’s. Alles wat in Bosnië ontbreekt.

Ajdin’s tranen en zijn vastberadenheid maken het hart van Mara uiteindelijk zacht en hij mag met haar mee naar haar woning. Eerst gaan ze met zijn allen in een restaurant eten. Dat is de eerste keer voor Ajdin sinds het begin van de oorlog dat hij ‘s avonds op straat en in een restaurant is. Hij vindt het heel spannend. De hele situatie is ook nog amusant door het lichte geflirt van Gojko met Mara. Zij gaat er niet op in. Gojko is immers een getrouwde man.

Tijdens het eten zegt Gojko tegen Mara dat Bosnische Moslims (Bosniaken) als een volk in principe niet bestaan. Het zijn of Serviërs of Kroaten met een islamitische achtergrond. Mara luistert aandachtig, maar zegt niets. Ajdin voelt zich noch Serviër noch Kroaat, en heeft geen behoefte zich in het gesprek te mengen. De jongen voelt zich in hart en nieren Bosniër en Joegoslaaf, maar Joegoslavië bestaat niet meer en Bosnië zijn ze aan het vernietigen. Hij verheugt zich er in ieder geval op om het grondgebied van ex-Joegoslavië wellicht voorgoed te verlaten.

Na het eten neemt Ajdin afscheid van Gojko, pakt zijn grote blauwe rugzak en loopt samen met teta Mara zwijgend naar haar appartement. De jongen kan zijn geluk niet op.

Pannenkoeken eten

De woning van teta Mara is inderdaad heel bescheiden. Een hoge houten kast verdeelt de ruimte in drie delen, woonkamer, slaapkamer en keuken. Aan de rechterkant van de kast bevinden zich de keuken en een eettafel en aan de linkerkant ervan staan een opklapbare bank, een tafeltje en een grote kledingkast met tv er in, een aantal foto’s en wat persoonlijke spullen. De komende weken zullen Ajdin en teta Mara samen op de opklapbare bank slapen, zij aan de ene kant en hij aan de andere.

Om naar het toilet te gaan moeten ze door een heel lange gang lopen. Die wc wordt gedeeld met een vrouw en haar zoon, vluchtelingen uit de Bosnische stad Mostar. Voor hen, net als voor alle andere onbekenden, heet Ajdin Miso, de kleine neef van teta Mara. De buurvrouw van teta Mara is nieuwsgierig en vraagt hem van alles, het lijkt dat zij de zaak niet helemaal vertrouwt. Maar ze maakt ook pannenkoeken voor hem. Ze klopt op een dag op de deur: “Miso! Miso! Kom, ik heb lekkere pannenkoeken voor je gemaakt.” Ajdin zit op dat moment stiekem naar de Bosnische radio en patriottische liederen te luisteren. Hij schrikt van de stem van de buurvrouw. “Luister je nu naar Servische nationalistische chetnik liederen?’’ vraagt zij hem wantrouwend. Hij ontkent, maar vertelt niet dat hij juist naar de Bosnische radio en Bosnische oorlogsliederen luistert. Ajdin houdt standvastig vol dat hij en teta Mara familie zijn en dat hij haar neef Miso uit Bosnië is, die gevlucht is voor het oorlogsgeweld.

Er is geen badkamer op de etage waar teta Mara woont. Douchen doet zij bij haar broer en Ajdin bij twee goede vriendinnen van zijn zus. Ze zijn aardig, attent en benieuwd naar de oorlog. Ze kunnen de oorlogsverhalen van Ajdin, hoe vaak hij ze ook vertelt, niet geloven. Ze vragen zich telkens weer af hoe het in hemelsnaam mogelijk is dat dit soort dingen zo dichtbij plaatsvindt en dat ze daar niets over horen. Ajdin kan hun daar geen antwoord op geven. Hij hoopt zelf nog steeds, tegen beter weten in, dat alles wat hij meemaakt een nachtmerrie is.

Zijn familie belt gelukkig uit alle windstreken om te vragen hoe het met hem gaat en of hij en Mara iets nodig hebben. Dat geeft hun beiden vertrouwen dat Ajdin niet te lang in Belgrado zal blijven. Hij heeft immers drie garantiebrieven oftewel uitnodigingen van zijn reeds gevluchte familie. Eén voor Nederland en de andere twee voor Duitsland en Denemarken.

Langs de ambassades

De ambassade van Nederland bevindt zich op vijf minuten loopafstand van het appartement van teta Mara. Ajdin’s oudere broer stuurde hem via een vriend een Nederlandse uitnodiging. Ajdin vertrouwt erop dat hij het visum snel zal kunnen regelen als hij de Nederlandse ambassade binnen stapt. Het is een mooi gebouw dat lekker ruikt. Er zijn veel typisch Nederlandse afbeeldingen, zoals schilderijen van windmolens, tulpen en klompen. Maar tussen zijn stapel papieren ontbreekt een belangrijk document, dat van de toestemming van zijn ouders – met een stempel van het gemeentehuis – dat de vijftienjarige jongen alleen mag reizen. Hij is het waarschijnlijk onderweg naar de ambassade kwijtgeraakt. Nu is het afwachten op een nieuw bewijs uit Brcko dat in oorlogstijd moeilijk te regelen is.

Bij de Duitse ambassade staat een lange rij. Er worden papieren uitgedeeld die ingevuld moeten worden voordat de wachtenden aan de balie kunnen komen. Een aantal tolken doet dat invulwerk voor vijf Duitse mark. Het is ijzig koud, op straat ligt een pak sneeuw en iedereen moet heel lang wachten voordat ze aan de beurt zijn om naar binnen te gaan. Eenmaal binnen blijkt dat zijn garantiebrief is verlopen. Hij moet een nieuwe brief hebben voordat hij een visum voor Duitsland kan aanvragen. Het is een keiharde klap, hij voelt zich wanhopig.

De enige uitweg lijkt nu de Deense ambassade, die ver weg is van teta Mara’s woning. De lange afstanden in Belgrado doet Ajdin grotendeels te voet, iets dat hem die avond bevroren en bebloede tenen bezorgt. Bij de Deense ambassade staat geen lange rij, maar op een warm onthaal binnen hoeft hij niet te rekenen. Alles is kil en zakelijk. Meteen wordt hem duidelijk gemaakt dat hij, ondanks zijn geldige papieren, zo goed als zeker een visum voor Denemarken kan vergeten. Hoe nu verder?

Anderhalve maand loopt hij wekelijks door de kou, storm en sneeuw, naar verschillende ambassades, zonder het beoogde en gehoopte resultaat: een visum.

Kleine lichtpuntjes

In zijn wanhoop gaat Ajdin ook langs de Iraanse ambassade. Hij weet niets van Iran, behalve dat het een islamitisch land is en dat het hem wellicht om die reden aan een visum wil helpen. Een visum dat hij nodig heeft om Servië te kunnen verlaten en verder naar het westen van Europa te reizen. Zo komt hij de Iraanse ambassade binnen en wordt verwelkomd door een baliemedewerkster met een zwarte hoofddoek. Ze groeten elkaar met Salam aleikum en Ajdin vraagt of hij een visum voor Iran kan krijgen. “Heeft u een uitnodiging voor Iran?” vraagt de ambassademedewerkster. Ajdin kent niemand daar en heeft dus geen uitnodiging. “Dan is het onmogelijk een visum te krijgen,” is de vriendelijke conclusie van zijn gesprekspartner. De jongen hoopte op sympathie van de Iraanse ambassade, omdat hij een kind, alleen en moslim is en zijn volk met uitsterven bedreigd wordt, maar zelfs voor het islamitische Iran zit een visum er niet in.

Vervolgens meldt Ajdin zich aan bij een speciale internationale instantie voor oorlogskinderen zonder ouderlijk toezicht. Een medewerker kijkt hem bij zijn binnenkomst met begripvolle en betraande ogen aan, maar ook daar kunnen ze niets voor hem doen. Ajdin vraagt ook in gebrekkig Engels een VN-medewerker op straat om hulp. De man kijkt de jongen alleen maar verbaasd aan en loopt door naar zijn grote witte VN-wagen. Ajdin is nog niet helemaal wanhopig, maar wat kan hij nu nog doen? Langer in Belgrado blijven lijkt hem zinloos en vooral uitzichtloos.

Eén van de weinige lichtpuntjes tijdens zijn verblijf in Belgrado is de kennismaking met Omer. Hij komt uit Brezovo Polje, de geboorteplaats van Ajdin’s vader, is een paar jaar ouder dan Ajdin en heeft altijd een goed humeur. Omer verblijft in een opvangplaats voor vluchtelingen in een buitenwijk van Belgrado en is net als Ajdin op doorreis naar het Westen. In zijn geval naar Zweden. In het vluchtelingenkamp verblijven veelal mensen die gemengd gehuwd zijn. Meestal ging het om een Bosnisch-Servisch stel met of zonder kinderen. In grote delen van door de oorlog verscheurd Bosnië hoorden ze nergens meer bij en vaak moesten ze genoodzaakt naar het buitenland vluchten. Ajdin stelt zich aan hen voor als Miso. Iedereen moet keihard lachen. “Hier hoef je dat niet te doen,” stelt Omer Ajdin gerust. Ajdin vindt het ondanks de lange reis altijd leuk om naar het vluchtelingenkamp te gaan. Het is er druk en de sfeer is ontspannen. Omer heeft een relatie met een Servisch meisje uit Belgrado en vertelt Ajdin soms sappige verhalen over hun seksleven. Voor Ajdin is dat een onbekende wereld en hij luistert geamuseerd.

Omer vertrekt uiteindelijk zonder problemen naar Zweden en Ajdin blijft weer alleen achter. Via een neef, de ex van teta Mara, krijgt Ajdin een garantiebrief – oftewel uitnodiging – voor Hongarije. Plan B is om daarmee naar Hongarije te reizen en dan stapsgewijs, via Oostenrijk en Duitsland, Nederland te bereiken. Een risicovolle onderneming, want Ajdin zal daar met mensensmokkelaars te maken zal krijgen.

Hongarije in zicht

In overleg met zijn familie en teta Mara besluit Ajdin toch deze route te nemen. Een nacht voor zijn vertrek, wijs als een kind van vijftien jaar soms kan zijn, verbrandt hij alle mogelijk belastende papieren die hem bij de overgang van de Servisch-Hongaarse grens in de sores kunnen brengen. Hij had in Brcko een poging gedaan een oorlogsdagboek bij te houden, waarin hij gedichten schreef en tekeningen maakte met Bosnische symbolen als gouden lelies. Het was puberaal, maar het verbranden van die dierbare stukken doet hem veel pijn. Zijn veiligheid en levensbehoud gaan echter voor.

Op het busstation van Belgrado koopt Ajdin een ticket naar de plaats Hurkany, een badplaats niet ver van Brcko vandaan waar hij twee keer de vakantie met zijn ouders en het hele gezin heeft doorgebracht. Teta Mara zwaait hem uit. Het is een emotioneel afscheid. In die zes à zeven weken samen zijn zij aan elkaar gehecht geraakt. Zij wenst Ajdin een goede reis en een spoedig weerzien. De bus is vol. Ajdin gaat in het midden zitten en heeft een plek alleen voor zichzelf.

Tot aan de Servisch-Hongaarse grens verloopt de reis voorspoedig en aangenaam. Bij de grens verandert alles in een nachtmerrie. Wanneer de douanier het paspoort van Ajdin en zijn naam ziet, moet hij als de enige uit de bus, zijn spullen pakken en met hem mee naar het grenskantoor gaan. Angstig en bevend volgt Ajdin hem tot de plek waar verschillende mannen in uniform op hem staan te wachten. De angstige jongen moet zich direct tot aan zijn onderbroek toe uitkleden en daarna laten zien hoeveel hij geld bij zich heeft. Zijn rugzak en bagage worden grondig doorzocht. Alles. Zijn fotoalbum, zijn notitieboekje, alle spullen en papieren. Dan begint de ondervraging door een blonde en een zeer onaangename officier.

De cruciale vraag is: hoe is hij de Bosnisch-Servische grens overgegaan en wie hebben hem daarbij geholpen? Iedere naam uit zijn notitieboekje, telefoonnummers en adressen wordt opeens een verdachte. Ajdin wil niemand in narigheid brengen en vertelt ongeveer tien verschillende versies van zijn reis, maar na allerlei bedreigingen en zelfs geslagen te zijn, moet hij toch de volledige waarheid vertellen. Zijn benen trillen, maar volgens de grensbewakers hoeft hij niet bang te zijn. Ajdin kan alleen aan één ding denken: Dit is het einde van mijn poging om de oorlog te ontvluchten.

Beeld: Mustafa Hadziibrahimovic

Mustafa Hadziibrahimovic is journalist en documentairemaker. In 1994 kwam hij op vijftienjarige leeftijd als Bosnische vluchteling naar Nederland. Na zijn studie Journalistiek werkte hij als redacteur en verslaggever voor verschillende omroepen en programma's o.a. Omroep West. Pauw & Witteman, Vara, Netwerk, NCRV en NTR. Als documentairemaker maakte hij een aantal korte en lange documentaires in binnen- en buitenland die op Nederlandse televisie uitgezonden zijn o.a. 'Terug naar Brcko', 'Land der Vermisten', 'Een Andere Wereld' en 'Gewond Goud'.