Een dag bij ons

Op 27 augustus 2020 doe ik mijn slaperige ogen open bij het geluid in de kamer naast me, van een kleine jongen die zich klaarmaakt om naar school te gaan. Ik bespeur het bed waarin ik lig en staar naar het plafond. Een spin in de hoek van het plafond herinnert me eraan dat dit asielzoekerscentrum Luttelgeest is en dat ik niet thuis ben.

Ik verblijf al een jaar in het AZC en nog steeds, als ik ‘s ochtends wakker word, begrijpt mijn slaperige geest niet waar ik ben. Nog steeds draai ik me om om mijn dochter naast me te zien liggen, om mijn moeder te horen, of misschien om de kamer te verlaten en mijn vader in zijn vertrouwde stoel een boek te zien lezen. Maar beetje bij beetje, wanneer ik wakker word, dringt dit nieuwe leven tot me door. De stemmen van de kinderen hiernaast, het geluid van dichtslaande deuren, stemmen van andere meisjes in het huis, bekende en onbekende geluiden, dat alles samen zegt me: “Word wakker, er is weer een dag voor jou aangebroken.”

Droom

Ik zit op de rand van het bed, verdronken in de droom van thuis. In gedachten bel ik aan bij mijn vaders huis, waar hij de deur opent, ik naar binnen ga, op de bank ga zitten en waar mijn moeder me verwelkomt met een kopje thee. Wat een grenzeloze geborgenheid en geluk! Mijn thuis, de veiligste plek ter wereld, dat ik heb moeten verlaten. Nu wacht ik op de vage toekomst in het asielzoekerscentrum. Ik tel de dagen met angst en bezorgdheid: 395 dagen zijn verstreken sinds mijn laatste dag thuis.

Een kleurrijk huis

Als ik de deur open, staat Erfan, de jongen van hiernaast, voor me met een tekening. Met zijn mooie bruine ogen kijkt hij me met een ondeugende, kinderlijke blik aan. Hij lacht, groet me en staat te popelen zijn nieuwe tekening te geven. Ik ga naast hem zitten zodat hij me het verhaal van zijn werk kan vertellen. Hij heeft twee tekeningen gemaakt op wit papier. De ene met zwart en de andere met kleuren. Hij zegt: ‘De tekening met zwart is het kamp hier, waar ik nu met mijn moeder woon. Die met allerlei kleuren is het huis waar we straks met mijn moeder gaan wonen. Ons toekomstige huis is mooi, net zoals het huis van mijn grootmoeder in Iran.’ Deze jongen droomt ook van thuis! Ik geef hem een knuffel en vertel hem dat ze snel, heel snel naar hun nieuwe kleurrijke huis zullen gaan.

Donker bos

Ik laat de jongen alleen met zijn tekeningen en ga de trap af. Beneden zie ik Carmen, een vrouw van middelbare leeftijd. Terwijl haar natte ogen me aanstaren, haar grijze haren voor haar gezicht hangen, groet ik haar goedemorgen en herinner ik me gisteravond. Afgelopen nacht vertelde ze me dat ze moe was en dat haar ogen zien hoe al het mooie in het AZC verscholen zit te wachten in een donker bos. Na haar interview wacht ze al twee jaar op een antwoord van de Zweedse immigratiedienst. Ik ga naar het plein om te winkelen.

Hoopvol

Onderweg zie ik Fiona. Een vrouw uit Afrika die me eerder vertelde over het verlies van haar gehele familie tijdens de burgeroorlog in haar land en hoe ze, terwijl ze zwanger was, bossen, rivieren en zeeën overstak in de hoop een veilig land te bereiken en te kunnen overleven. Als ik het haar vraag, wijst ze naar haar dochter van anderhalf, geboren in het AZC. Het meisje lacht haar kleine witte tanden bloot. Fiona zegt: “We wachten nog steeds.” Wachten, geduldig en hoopvol.

Nachtmerries

Ik vervolg mijn weg en tref een andere vluchtelingenvriendin, Fariba. Ze staat naast een auto vol met alledaagse levensmiddelen die ze aan asielzoekers verkoopt. Het is twee maanden geleden dat ik haar zag en ik schrik ervan hoe grijs haar haren zijn geworden. Ze vertelt me dat ze ‘s nachts nachtmerries heeft en niet kan slapen. De angst voor de onbekende maar allesbepalende toekomst ontneemt haar de energie om iets te ondernemen. Fariba en haar familie wachten al twee jaar op een interview met een medewerker. En terwijl ze wacht, heeft ze haar vader en haar jonge broer in haar vaderland verloren en kon ze niet eens om hen rouwen.

Veelvraat

Als Fariba vertrekt, zit ik in een stoel naast de ingang van het AZC en observeer de passerende mensen. Mensen met bittere verhalen over het achterlaten van hun thuis, met een meedogenloze, verstrooide onzekerheid die langzaam hun ziel opeet als een veelvraat. Mensen die stuk voor stuk eens in hun eigen land woonden en een huis van hoop en kracht bouwden, maar op een bepaald moment door de kwelling van een oorlog of autoritair regime werden gedwongen om al hun bezittingen op te geven en te vluchten naar een ander land om te overleven.

Idealen

Achter deze lijdende gezichten huizen mensen die een enorme hoop koesteren en buitengewoon veel moed hebben, om te blijven leven en te blijven geloven in hun idealen. Mensen die hun roots hebben meegenomen uit hun moederland en nu hopen te kunnen aarden in het veilige gastland. Gewone mensen die zwaar hebben geleden. Ik staar naar de lucht, de zon gaat onder achter de rode AZC-huizen. Ik denk weer aan het huis van mijn vader en fluister een Perzisch gedicht:

Op een dag zullen wij onze duiven terugvinden

En zullen de liefde en de schoonheid hand in hand gaan

De dag waarop ieder mens een broeder is van de ander

De dag waarop de deuren van huizen niet meer gesloten zijn

Het slot een legende is en het hart genoeg is om te leven

Ik kijk uit naar die dag

Zelfs als ik er die dag niet meer ben.

(Fragment uit ‘Heldere horizon’ van Ahmad Shamlu)

De Nederlandse bewaker van het AZC legt zijn hand op mijn schouder en vraagt vriendelijk hoe het met me gaat. Het gaat goed, antwoord ik, en ik mijmer over de dag dat de deuren van dit huis voor ons zullen opengaan.

 

Vanwege privacy zijn de namen van personen gefingeerd.  Afbeelding van marcelkessler via Pixabay.
Vertaling en bewerking:Femke Kazemier-Rongen 

Waardeer dit artikel!

Dit artikel lees je gratis. Vind je het artikel en onze inzet de moeite waard? Dan kun je jouw waardering laten blijken door een bijdrage. Zo help je onze journalisten en RFG Magazine.

Mijn gekozen waardering € -